Klik hier voor een link naar de trombose startpagina met vele links

Uitleg trombose

Kraambeen
Wat is het?
Het kraambeen is een afsluiting van een diep gelegen ader (trombose) in het
been tijdens de eerste zes weken na de bevalling. Het komt voor bij twee op
de duizend vrouwen tijdens de kraamperiode, meestal aan het einde van de
eerste of aan het begin van de tweede week na de bevalling.

Hoe herkent u het?
Een kraambeen is gezwollen en heeft een roodpaarse kleur. Vaak is het ook
pijnlijk. Het been kan wat warmer aanvoelen dan het andere been. Soms ziet
de huid er glanzend uit. Wanneer het stolsel niet vanzelf oplost, wordt het been steeds dikker. Het
kan op een gegeven moment weer verkleuren en dan juist witter worden dan het
andere been. Vaak is het been dan extreem pijnlijk. U hoeft niet voortdurend
te letten op de benen; als u een kraambeen ontwikkelt valt dit duidelijk op.
De kraamverzorgende en de verloskundige zullen er ook op letten.

Hoe ontstaat het?
Een kraambeen is een afsluiting van een diep gelegen ader (trombose) in het
been tijdens de eerste zes weken na de bevalling. De ader voert normaal het
bloed van de benen weer terug richting het hart. Door een stolsel in deze
ader is dat nu niet meer mogelijk. Hierdoor ontstaan de verschijnselen van
het kraambeen. De trombose in het been ontstaat door een combinatie van
grote hormonale veranderingen na de bevalling en verminderde spieractiviteit
van de benen. Bij sommige vrouwen speelt aanleg ook een rol.

Hormonale veranderingen
De bloedvaten zijn door hormonale veranderingen wijder en slapper en tijdens
de zwangerschap zijn er meer stollingsfactoren aangemaakt. Hierdoor stolt
het bloed gemakkelijker.

Verminderde spieractiviteit
Doordat een kraamvrouw veel tijd in bed doorbrengt, vermindert de
doorstroming van bloed in de benen. Normaal zorgt de kuitspier (met name bij
het lopen) voor het omhoog pompen van het bloed. Bij bedlegerigheid gebeurt
dat natuurlijk veel minder. De bloedstroom gaat dan ook langzamer, waardoor
er makkelijker neerslag in de vaten ontstaat. Vergelijk het maar met
stromend water. Snel stromend water geeft veel minder aanslibbing dan
langzaam stromend water. Dat geldt ook voor de bloedstroom. Langzamer
stromen bevordert het stollen van het bloed nog eens extra.

Aanleg
Bij sommige vrouwen heeft het bloed altijd al een verhoogde neiging om te
stollen. Deze vrouwen hebben een grotere kans op trombose. Vaak hebben zij
buiten de zwangerschap al eerder trombose gehad. Zij lopen extra risico om
een kraambeen te krijgen. Ook vrouwen die een keizersnede hebben gehad,
hebben een verhoogd risico om een kraambeen te krijgen.
Is het ernstig en wat kunt u verwachten?
Een kraambeen moet altijd serieus genomen worden. Een beginnend kraambeen
kan spontaan overgaan. Wanneer het been steeds dikker en pijnlijker wordt,
gaat het niet meer vanzelf over.

Onderzoek
De huisarts zal uw been onderzoeken. Soms kiest hij ervoor om het been een
dag later nog een keer te bekijken. Wanneer de huisarts ook denkt aan een
trombosebeen, verwijst hij u naar het ziekenhuis. Daar wordt een echo van de
bloedvaten van het been gemaakt. Daarmee kan snel worden beoordeeld of er
sprake is van trombose. Soms wordt er ook bloed geprikt om te kijken of er
in het bloed aanwijzingen zijn voor trombose.

Behandeling met heparine
Als er inderdaad sprake is van trombose in uw been, krijgt u een
antistollingsmedicijn. Dit middel heet heparine. Soms krijgt u dit in het
ziekenhuis via een infuus, maar het kan ook steeds vaker thuis gebeuren. U
krijgt dan prikken met het antistollingsmedicijn onder de huid. Die prikken
kunt u zelf geven. U kunt ze ook door uw partner of de thuiszorg laten doen.
Heparine werkt binnen enkele uren.

Behandeling met acenocoumarol
Naast heparine krijgt u ook andere antistollingsmedicijnen in tabletvorm.
Meestal wordt hiervoor acenocoumarol gegeven. Het duurt een aantal dagen
voordat de middelen goed werken. Pas als dat het geval is, wordt de heparine
gestopt. Er wordt bij iedere persoon individueel bepaald hoeveel tabletten
nodig zijn om het bloed goed ontstold te houden. Daarvoor moet er
regelmatig, één keer per week of twee weken, bloed worden geprikt. Dit
gebeurt door de trombosedienst. De arts van de trombosedienst zet op een
kaartje hoeveel tabletten u per dag moet gebruiken. De tabletten moet u ten
minste drie maanden doorslikken om nieuwe trombose te voorkomen. Tijdens het
slikken van deze medicijnen kunt u gewoon borstvoeding geven. Wel moet uw
kind dan extra vitamine K krijgen.

Mogelijke restverschijnselen
Meestal geneest het trombosebeen met deze behandeling vanzelf. Wel kan het
been er wat anders uit blijven zien. Bij één op de vier vrouwen blijft het
been altijd dikker en ontstaan er gemakkelijk wondjes die moeilijk genezen.
Ook ontstaan er vaak spataderen en heeft de vrouw sneller last van een
vermoeid gevoel in dat been. Zo'n been met restklachten wordt een
posttrombotisch been genoemd. Bij een volgende zwangerschap krijgt u vanaf
de bevalling weer heparine om een nieuw kraambeen te voorkomen. U krijgt in
elk geval tot drie weken na de bevalling antistolling, weer in combinatie
met tabletten (zie hiervóór onder "behandeling met acenocoumarol").Wanneer naar de huisarts?
Als u denkt een kraambeen te hebben, kunt u contact opnemen met de
huisartspraktijk. De huisarts kan beoordelen of er inderdaad sprake is van
een kraambeen. Zo nodig verwijst hij u naar het ziekenhuis.
Wat kunt u er zelf aan doen?
Als u eenmaal een kraambeen heeft, kunt u daar zelf weinig aan doen.
Behandeling met medicijnen is noodzakelijk.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen
Als u op bed moet blijven tijdens de kraamperiode, is het van belang de
benen regelmatig te bewegen om de bloeddoorstroming te verbeteren. Dit kunt
u doen door een paar keer per dag de volgende oefeningen te doen. Doe de
oefeningen zowel met het linker- als met het rechterbeen.
Oefening 1
Draai rondjes met uw enkel tien keer rechtsom en tien keer linksom.
Oefening 2
Trek liggend op bed uw voet over het bed heen richting de billen en schuif
hem daarna weer terug. Tien keer met elk been.
Oefening 3
Til het been iets op van het bed en maak een schoppende beweging met het
onderbeen.

Wanneer er geen reden is om op bed te blijven, is het zinvol regelmatig
kleine stukjes te lopen. Vrouwen die een keizersnede hebben gehad of een
zwangerschapsvergiftiging, zullen in het ziekenhuis uit voorzorg al
behandeld worden met antistollingsmedicijnen omdat zij een hoger risico op
een kraambeen hebben. Ook vrouwen die eerder trombose hebben gehad, komen
hiervoor in aanmerking. Het is dus belangrijk dit te melden aan uw
verloskundige of gynaecoloog. U wordt dan uit voorzorg behandeld met
antistollingsmedicijnen, vaak al tijdens de zwangerschap en zeker tijdens
het kraambed. Vrouwen met klachten als gevolg van een posttrombotisch been
hebben dikwijls veel baat bij het dragen van een elastische kous. Hierdoor
wordt de hinderlijke zwelling van het been in de loop van de dag tegengegaan
en wordt de pompfunctie van de kuitspier extra ondersteund. Dit bevordert
het beter terugstromen van het bloed naar het hart.

Wetenschappelijke verantwoording
Geraadpleegde literatuur:
Heineman MJ, Bleker OP, Evers JLH, Heintz APM. Obstetrie en Gynaecologie, de
voortplanting van de mens. Maarssen: Bunge/Elsevier, 1999.
CBO-richtlijn 'Diepveneuze trombose en longembolie'; herziening van eerdere
richtlijnen NTVG 2000.
Aan deze dokterdokter.nl folder werkten mee:
Drs. J.H. Schieving (auteur)
Drs. H.W.J. Verblackt (consulent)
Drs. E.G.C. van Seumeren (consulent)

Flebitis
Onsteking van een ader. Flebitis gaat vaak gepaard met Trombose, de aanwezigheid van een bloedstolsel in een ader. De aandoening komt bijzonder veel voor in de benen en kan optreden bij mensen die spataderen hebben of bij wie de aderen een letsel hebben opgelopen. Soms doet het verschijnsel zich na een operatie voor.

Een soort dat ook KRAAMBEEN wordt genoemd, wordt gewoonlijk een paar dagen na een bevalling bij vrouwen aangetroffen (flegmasia).

Bij flebitis wordt de streek rond een ader rood en pijnlijk, in sommige gevallen kan er sprake zijn van koorts.

Voorgeschreven worden antibiotica, anticoagulantia en bedrust

(uit het Gezondheidsboek)